zaterdag 10 maart 2012
Als mannen niet meer weten waarom
Het is even na vier uur. Nu is het nog rustig in De Meiboom in Sint-Eloois-Winkel, maar een binnenkomende klant waarschuwt ons. ‘Dit is een moordend café. Het bier komt hier tegen de snelheid van het licht. Er wordt gevochten om een rondje te mogen geven.’
(...)
Een half uur later ontploft er inderdaad een bom. De gezapige namiddag slaat plots om in een broeierige avond. Volk stroomt binnen langs de achterdeur. Bouwvakkers, ouderen, jongeren, werklozen en kunstminnend volk. Want sinds Skippy, zelf schilder, achter de toog staat, is De Meiboom een mengelmoes van volkscafé en bruine kroeg geworden.
Er is geen muziek en toch is het er binnen de kortste keren oorverdovend lawaaierig.
‘Dat is het beste café ter wereld’, bralt Tony (33). Hij werpt zich op als de orkestmeester van deze fanfare van dorst, geen honger. ‘Ik kwam hier als kind al mee met mijn papa en ik ben blijven komen.’
Kroonkurkjes ploffen van de flessen aan het ritme van een mitraillette. Skippy houdt de rekening bij op bierkaartjes. Dit feestje gaat nog wel even door. Ik tracht niets te missen, elk gesprek te volgen. Het duurt even voor ik besef dat wat Marnix mij tussendoor tracht te vertellen de joligheid ver voorbij is.
‘Ge zoudt beter eens een enquête bij de AA doen’, zegt hij.
En we gaan nog niet naar huis.
‘... daar hoort ge wat.’
Bijlange niet.
‘Een half jaar...’
Tony plaagt zijn Franstalig liefje. Ze lispelt want ze heeft een piercing in haar tong.
‘... geen druppel meer aangeraakt.’
Mannen drinken. Ze weten niet altijd meer waarom.
‘Ik passeerde toevallig. Ik zag dat het weer open was.’
De excuses.
‘Ik drink alleen nog speciale biertjes, geen pils meer. En dit is nog maar mijn tweede. Het mag wel zeker? Ik kom van de keuring, mijn auto is vijftien jaar oud en er toch door geraakt.’
Dorst drijft ons naar het café. Maar wat drijft de dorst? Marnix weet het nog wel. ‘Ik had ambitie voor tien, ik was ambtenaar en daarna zelfstandig verkoper. Tot ik kort na mijn veertigste kanker kreeg. Dat heb ik overleefd, maar ik ben blijven sukkelen. Te veel beginnen drinken dan. Ik volg nu cursussen bij de VDAB. Boekhouding, computer. Maar gij weet en zij weten: ge zijt te oud.’
Hij heeft kinderen die nog studeren. Weet niet waar het geld vandaan moet blijven komen na tien jaar in het sukkelstraatje, de volkscafévariant van de boulevard of broken dreams.
Hij probeert de sfeer er opnieuw in te krijgen, Marnix, met een laatste grapje. Te wrang.
‘Ik ben voor de hogere pensioenleeftijd. Mijn vrouw werkt nog. Ik mag er niet aan denken dat ze over twee jaar elke dag thuis zou zijn.’
Tony plaagt nog altijd zijn liefje. ‘Elle était la fillette d’Elio avant qu’il est devenu gay.’ Ze lacht niet meer nu.
***
Zaterdag 3 maart. De avond valt en in de Isabellestraat in Sint-Gertrudis-Pede steekt Rudi (47) voor de laatste keer het licht aan van het uithangbord. Bij Annie. Ze zal de hele avond niet veel zeggen, Annie, des te harder haar tranen verbijten. Vanavond sluit, na 45 jaar, het naar verluidt 24ste en laatste café dat het gehucht ooit rijk was.
‘Ons tante Annie’, zegt Marleen, metekind van nonkel Frans. ‘Het is de crème de la crème van de streek. Bracht ge een hond, een kat of een kind, ze zorgde ervoor. Ze was er altijd voor onze Joachim. Ik was een alleenstaande mama, hij heeft hier tot zijn zestiende elke vakantie doorgebracht. Tante Annie wordt door alleman graag gezien.’
Dat is zo. Het café loopt vol en het mag een wonder heten dat Annie op het einde van de avond nog een ongekneusde rib overhoudt, met al dat geknuffel.
We slaan het gade vanuit de bijbouw, als stonden we in de coulissen van het oud, Vlaams televisiefeuilleton De Paradijsvogels. Maar dan wel de scabreuze versie. Rudi heeft behalve voor de hapjes, de vaten en de discobar ook nog voor een optreden van Jefke Plas gezorgd, met zijn 74 de oudste travestiet van het land of dan toch van het Pajottenland. Maar zeg het nog niet aan Frans! Hij krijgt straks een pruik opgezet en dan gaat Jefke zingen, vuile moppen tappen en schootdansen.
In stijl eindigen heet dat. In de bijbouw haalt het Griekse koor herinneringen op aan de strafste fratsen. Bruine zeep van de koer tot aan de voordeur. Een gevecht met rauwe eieren. Een kapot getrapte toog. Een gastronomisch weekendje, ‘allez een zuippartij gelijk een ander’. Een hoed vullen met stront, ‘en er dan een ferme shot tegen geven’. Een plateau door het raam keilen, juist op het moment dat er een politiecombi passeert.
‘En weet ge nog die keer met de bruine zeep?’
Plaatje blijft soms hangen, ook dat is typisch volkscafé.
Het gemiste lief
‘Vandaag loop ik al de hele dag met dat liedje van John Terra in mijn hoofd’, zegt Roland. ‘De dag dat het zonlicht niet meer scheen.’
Het schemerde al langer in Annie’s leven, vermoedt Roland. ‘De dood van haar zuster heeft haar een krak gegeven. Ik ken dat. Ik heb mijn zus ook verloren. Ik was 20, zij twee jaar jonger. Bij Annie vond ge troost. Ge kunt dat moeilijk vatten als ge het niet kent. Dit café, het is het lief dat ge niet hebt gehad.’
De kinderen van Annie en Frans, Verena en Peter, hebben het café juist daarom soms vervloekt. Ze moesten hun ouders elke dag delen met de klanten.
(Fragment uit ‘Het einde van het volkscafé: Als mannen niet meer weten waarom.’ Vandaag 10 maart 2012 verschenen in DS Weekblad. )
woensdag 4 januari 2012
Over verhalen (2)
Max Frisch, Gantenbein
Gelezen
Allard Schröder, Favonius, De Bezige Bij Amsterdam, 2005
Over verhalen
Rohintron Minstry, Een wankel evenwicht
zaterdag 10 december 2011
De min
van niets bewust
Alles bestaat
maar niets stelt mij gerust”
(J.Bernlef)
‘Sluit je ogen en tel tot tien.’
Het meisje gehoorzaamt blindelings. Vanop een zichzelf beschermende afstand staat Monsieur rood aangelopen en onwennig toe te kijken. Zijn furie is gelijk aan die van zijn oudste dochter. In de tuin waar het tafereel zich afspeelt, lijken alle vogels hun adem in te houden. Zelfs de wind ontzegt de kruinen van de bomen hun ritselend spel.
Op de grond, aan de voeten van Adèle, ligt de kater erbarmelijk te zieltogen. Bloed vermengt zich met het witte dons onder zijn kin, op de plek waar hij zo even werd geraakt door een met nagels bezette plank.
...zeven ...acht ...negen ...tien.
Adèle opent haar ogen, maar de ontzetting is niet geweken. Haar hand blijft klauwen in de rokken van haar min die haar zonet tot dit bedarend bedoelende ogensluiten en aftellen heeft aangemaand. De aanblik van de gewonde kater, door haar eigen hand bewerkstelligd, drijft een wig door haar kinderhart. Het lijkt alsof er in de tuin van het domein La Charente waar ze de afgelopen elf jaren heeft doorgebracht, een eeuwigdurende herfst is ingezet. Alsof het zware, bang makende deken van de Afrikaanse duisternis uit haar vaders verhalen haar wereldje heeft ingehaald.
Kewoluku, sist Monsieur tussen zijn tanden als sprak hij een vloek over Adèle uit. Dwaas.
Het is Allerzielen vandaag. In de hemel worden de knekels en schedels samengeharkt en aan de levenden getoond in de gedaante van wolken. Zo blijven de doden minder dood dan de bij leven afwezigen.
(uit 'De min', iets in wording)
Keihard kakelen
Het ging over het activeren van werklozen. Er lagen cijfers op tafel, tabellen en grafieken. En uw reporter had ook een karrenvracht aan schijnbaar kritische meningen over de kloof tussen noord en zuid aangevoerd. Dat laat zich bij de voorbereiding van een interview het snelst bij elkaar harken. Mening hier, mening daar, stukje klaar.
Maar kenden we daarmee het wezenlijke verschil tussen een jonge werkloze in Antwerpen en een cas perdu in La Louvière? Natuurlijk niet. Daarvoor moet je namelijk écht kritisch denken.
Zo ongeveer is ook de Nederlandse cabaretier Youp van ’t Hek de afgelopen weken in een Waalse colère geschoten. Een jongen van negen jaar, Jossef, moet volgens de letter van de wet ‘terug’ naar Eritrea. Ook al woont hij al acht jaar in Alkmaar. Riemen papier en uren zendtijd zijn er aan de zaak gewijd. Buitenmatig veel zelfs aan de vraag of de Alkmaarsche Courant wel zo openlijk partij had mogen kiezen voor dat kind.
Toen zei Youp: doe eens gewoon, man. Er is een kind. Er is een grens. En daar moet je niet over willen gaan.
Er is in onze ‘kakeldemocratie’, zoals Van ’t Hek het noemt, soms zo weinig hart. Het gaat soms zo hard. Er is heel veel buzz via heel veel kanalen, en dat levert vaak heel veel van hetzelfde op. Like. Unlike. Tweet, retweet, kierewiet.
Van ’t Hek kreeg voor zijn hartenkreet heel wat steun. Maar daar plaatst hij als sympathieke ambetanterik meteen zelf vraagtekens bij. ‘Om het met een column eens te zijn, hoef je het gewoon maar aan te klikken. En je dan lekker weer omdraaien in bed.’
Die kakeldemocratie maakt slachtoffers. De waarheid als eerste, natuurlijk. En stukken van mensen.
Kerst nadert. Maar het is niet daarom dat we eens over het hart mogen strijken. Het is gewoon omdat, zoals Youp zegt, we sommige dingen niet moeten willen. Mededogen. Het is zelfs geen deugd, het is een hogere vorm van kennis zoeken en kritisch denken.
U hoeft op FB dus ook niet te duimen voor dit stukje.
(verschenen in DS Weekblad, 10 december 2011)
vrijdag 29 juli 2011
Kleine revolte
Het is een kleine revolte in 'oorlogsgebied'. Een spetterend en proestend protest. Het leger en de politie staan er wat sullig op te kijken. Staatsgevaarlijk is het niet, storend des te meer. Een beetje zoals goede kunst vermag. "Wat we doen zal de situatie niet veranderen", weet één van die zwemmende verzetsvrouwen, Hanna Rubinstein. "Maar het is toch maar weer mooi een daad van verzet tegen de bezetting. Op een dag in de toekomst zullen mensen vragen: 'Wisten jullie het dan niet?' En ik zal kunnen zeggen: 'Ja, ik wist het. En ik heb iets gedaan.'"
Wat een heerlijk tegengif voor wat er in het Noorse water gebeurde, deze kleine revolte. Er beweegt ook hier in het Midden-Oosten, net zoals eerder in de Arabische wereld, nog wel meer onder de waterlijn. Stil maar zeker staat er een jonge generatie op, zowel in Gaza als in Tel Aviv, die foert zegt tegen 'de oorlog van de vaders'. Hun boodschap is moeilijk te plaatsen voor wie is opgegroeid in het paradigma van het conflict. Zoals die vrouwen wijzen ze naar de naaktheid van de haviken. Ze dromen luidop en strooien nu en dan kleine steentjes in het rond. Finaliter kunnen ze een reus doen wankelen.
Arthur Japin noteerde in zijn dagboek, nota bene een maand voor 9/11, "Mensen die dromen kapotmaken. Misschien zou ik die harder moeten aanpakken. Tussen hen en mij is het tenslotte oorlog." Oorlog, dat is ook wat die vrouwen in Israël voeren. Een 'goede' oorlog zoals ook Salman Rushdie die beschrijft in zijn immer inspirerende Haroun And The Sea Of Stories. Het is altijd dezelfde, dagelijkse strijd tegen obscurantisme, onverdraagzaamheid, extremisme of, gewoon, dwaasheid. Zolang er water naar de zee vloeit, is er hoop.