zaterdag 16 mei 2015

SOUS-TEXTE


Vraag van Valérie De Bue (MR) aan Waals minister van Milieu Carlo Di Antonio (CDH) over 'Be WAPP'. (WAALS PARLEMENT, 23/03/15)

 

Op de eerste lentedag van het jaar verliet een twintigtal moslims de moskee Al Imane in Cuesmes, een niet zo florissante deelgemeente van Mons. Ze trokken de straat op, gewapend met stokken.
Gehuld in oranje hesjes zetten ze een klopjacht in op zwerfvuil. Dat deden ze zo bezeten dat ze er felicitaties van de Waalse minister van Milieu Carlo Di Antonio voor kregen.
Die minister had àlle Walen opgeroepen om deel te nemen aan Be WAPP, wat staat voor une Wallonie Plus Propre. Meer dan 10.000 burgers uit 157 gemeentes namen eraan deel, goed voor 17.000 gevulde vuilniszakken. Waaronder dus een flink pak hier in Cuesmes, dankzij de doortastende witte (nou ja) tornado's van imam Mounir ben Ahmed.
'Toen we de vraag kregen om de straat op te ruimen, hebben we er geen halve minuut moeten over discussiëren', vertelt Mounir ons op een gezellige namiddag met veel zoetigheden, koffie en thee. 'Reinheid is de helft van het geloof. Dat zegt de profeet.'
Met Mounir, Ibrahim, Ahmed en Hamid kouten we een eind weg over snoepwikkels, lege sauspotten, oude kranten, half vergane sofa's en sigarettenpeuken. Ze zijn voor nultolerantie. 'Peuk uit het raam? 50 euro. Geen genade.'
'Toen ik 37 jaar geleden in België aankwam, dacht ik dat hier veel goede moslims woonden', grijnst Hamid. 'Proper dat de straten hier waren! Dat is jammer genoeg niet blijven duren.'
Deze moskee organiseert al jaren opendeurdagen, schoolfeesten en barbecues. 'En elke vrijdag volgen onze jongeren hier de les burgerschap', zegt Ibrahim.
Mounir gooit er nog een wijsheid van de profeet tegenaan: 'Je moet je steentje bijdragen tot de samenleving. Tot uw laatste adem. Zelfs al lig je op sterven: heb je een laatste zaadje in de hand, dan nog moet je dat zaaien.'
En of dat ook lukt?
Ze zijn te beleefd om het zo expliciet te zeggen, maar het antwoord is: nee, niet altijd.
Je steekt honderd keer je hand uit, dan nog is er dat wantrouwen. 'Een van onze broeders begon vorige winter met soepbedeling', zegt Ibrahim. 'Daar is hij moeten mee stoppen omdat we geen toestemming kregen van de gemeente.'
Er gaat een zucht de tafel rond. Zo zoet de baklava, zo bitter soms de gedachte dat de burgerzin in deze tijden wel heel vaak eenrichtingsverkeer is. En dat er vooral sinds 9/11 een duivels mechanisme in onze diverse samenleving is geslopen. Ook al zijn de woorden 'Charlie Hebdo', 'Verviers' of 'IS' hier nog geen enkele keer gevallen, aan beide kanten van de tafel weten we zeer goed dat ze tot de sous-texte behoren van elk gesprek tussen moslims (zij) en niet-moslims (wij). Zelfs als het over koetjes, kalfjes en vuilniszakken gaat.
Er gaat opnieuw een zucht de tafel rond, deze keer van opluchting, als we opmerken dat ze nu al zeker tien keer gezegd hebben dat ze van ons – mijn, uw, hun - land houden zonder dat we daar naar gevraagd hebben.
Want zo werkt dat dus: je hebt altijd de neiging om je te verdedigen ook als niemand je aanvalt, je moet als moslim tien keer zo hard je best doen om te tonen dat je 'een goede burger' bent. En dan nog krijg je vaak een koude schouder.
'Dat is inderdaad soms erg vermoeiend', zegt Mounir. 'Zodra er in Parijs of Verviers iets gebeurt, staan de schijnwerpers op die idioten die alles kapot willen slaan, hun eigen leven nog het eerst. Het is een mécanique méchante. Wij moeten altijd tonen dat we van deze samenleving houden, maar de samenleving houdt niet altijd van ons.'
Hij lacht droef, zich bewust van het eufemisme. Voegt er dan bijna fluisterend aan toe: 'Ik lig hier echt wakker van.'
Ibrahim knikt. 'Heb je, zoals mijn vader, vijftien jaar in de mijnen gewerkt en er silicose aan overgehouden, komt er een minister zeggen dat je geen meerwaarde hebt. En maar beleefd blijven.'
'Zitten we ons nu toch wel weer te verantwoorden zeker!', zegt Ahmed. 'Voor het tuig dat naar Syrië trekt, vecht voor het geld en de drugs. Ze kapen ons geloof. Ze komen trouwens niet in de moskee, ze halen hun zieke instructies van het internet.'
'Weet u', zegt Mounir. 'Mijn vrees is dat het sommigen gewoon goed uitkomt dat het vuur altijd weer wordt opgepookt. Maar waar gaan we de pompiers blijven vinden?'
Op het einde van de namiddag staat Mounir in de keuken de glazen af te wassen. Doet hij thuis ook, zegt hij. En dan, guitig en trots: 'Ik ben net opa geworden.'
Bij het afscheid voor de deur steken we een sigaret op. Roken, zo leer ik nog, is door de profeet niet verboden (haraam) maar het is evenmin goed (mekroeh). 'Let er wel op dat u uw peuk niet op straat gooit', knipoogt Ibrahim.

TEKST FILIP ROGIERS & FOTO FILIP CLAUS


Dit stuk verscheen samen met de foto van Filip Claus in dSWeekblad op 16 /05/15 in de rubriek "Brood&Boter. Alledaagse verhalen achter parlementaire vragen".

zaterdag 17 januari 2015

VERMAN JE

Thuisgekomen haalde Hofman het rolluik aan de straatkant op. Het was al ver na de middag en de voorkamer, die ook zijn slaapkamer was, had al maanden geen daglicht meer gezien. Hij woonde op het gelijkvloers van een oud herenhuis. Boven hem hokte de meestal dronken maar verder best aardige huiseigenaar. Ze kruisten elkaar heel af en toe in de gang. Hofman vond dat er rond de man in alle seizoenen een geur van herfst hing. Van rottend blad, nat geregend hout.
    Maar het binnenvallende licht dwong Hofman nu ook om zijn eigen désarroi onder ogen te zien. En te ruiken. Er hing een zure geur van oude slaap, whiskey en droog zaad in de slaapkamer. Het was er een zootje. Rondom zijn bed lagen verkreukelde tissues, alsof er een kluns in de weer was geweest met origami.
    Hij opende nu ook de dubbele deur die toegang tot de woonkamer gaf. De rommel was er niet minder groot. De keukentafel lag bezaaid met oude kranten, lege en halfvolle koffiemokken, borden en bestek. Hij voelde zich betrapt in zijn eigen huis, het was alsof iemand anders het hem liet zien, hem zijn wanorde onder de neus wilde wrijven.
    Heb jij hier gelèèfd, Hofman?, dacht hij.
    Hij bleef in het deurgat staan, rook, keek en luisterde. Er drong nu ook een geluid tot hem door dat er al veel eerder geweest moest zijn. Het klonk ver weg en toch dichtbij, scherp en nijdig, als het tjirpen van een krekel. Roerloos als een jager bleef hij staan. Het duurde even voor hij de oorzaak achterhaalde: het brandalarm behoefde nieuwe batterijen.
    Zo gesteld hij was op precisie en eenduidigheid, zo slordig en achteloos was hij altijd al op zichzelf geweest. Maar misschien was dat helemaal geen tegenspraak, beantwoordde het aan de eenvoudigste aller natuurkundige eigenschappen, die van het magnetisme.
    Ja, zo leefde hij hier nu al enkele maanden zonder die verloedering zelf in de gaten te hebben.
    Een half jaar geleden was hij zijn job verloren. Ook dat had hij niet zien aankomen. Hij werkte als arbeidspsycholoog voor het stedelijk onderwijs. Hij was ontslagen, maar omdat de directie zijn toekomstige kansen op een job niet wilde hypothekeren, hadden ze daar een 'beëindiging van de samenwerking in onderling overleg' van gemaakt. Het verwonderde hem ergens dat zijn nieuwe werkgever, die toch zo gesteld was op meten en weten, dat doorzichtige trucje niet had doorgeprikt. Of misschien deed de man in het maatpak alleen maar alsof dat niet zo was?
    Jarenlang had Hofman zich gewaardeerd geweten door directie en nog meer door de leerkrachten die hij opving en begeleidde met hun almaar talrijker wordende klachten over werkstress, burn-outs en andere ongemakken. Soms had hij zich ook hier afgevraagd in hoeverre het aanbod de vraag had gegenereerd. Ook de directie worstelde daar klaarblijkelijk mee, getuige de lichte druk die hij in de maanden voorafgaand aan zijn ontslag was gaan voelen om het kaf van het koren te scheiden, de behoeftigen van de plantrekkers.
    Hofman nam een vuilniszak en graaide met beide handen naar de rotzooi die hij rond en onder zijn bed had verzameld. Sommige tissues kleefden aan de plankenvloer, hij krabde er met zijn nagels de restjes van af.
    Je kon het ruiken als iemand ongelukkig was. Hij had er op den duur geen moeizame, aftastende intakegesprekken meer voor nodig gehad. Hij herinnerde zich de zwaarlijvige leraar chemie die al dagen een walm met zich mee droeg in de klasgangen en de lerarenkamer, voor hij in het kantoortje van Hofman verkruimelde en brak. Er liep een gerechtelijk onderzoek tegen hem voor huiselijk geweld. Zijn partner had de klappen gekregen die hij niet aan de hem pestende leerlingen had mogen en kunnen geven.
    Hoe dik ook het vel van man en vrouw, hoe sterk en zelfbewust ook de mens: Hofman onderkende na verloop van tijd in elk van hen feilloos het kwetsbare weefsel. Hij wist waar de veer zat die ooit zou springen indien er niet tijdig werd ingegrepen.
    Terwijl hij het raam op een kier zette, dacht hij tevreden aan een van de levenslessen die hij deze ochtend ook te berde had gebracht tegenover de man in het maatpak. Mensen, niet anders dan huizen, moet je luchten om ze leefbaar te houden.
    Ja, Hofman was een geschikte poortwachter. Hij wist van kaf en koren en hoe je het een van het ander moest scheiden. De economie kon niet draaien op verknipten, de tijden waren al moeilijk genoeg. Wie evenwicht ontbeerde, werkte niet naar behoren.
    Hij maaide met een brede zwaai van zijn arm oude kranten van tafel en verdrong de gedachte dat ook hij plots, nu een half jaar geleden, in de ogen van sommigen kaf moet zijn geweest.
    'Er zijn klachten', kuchte de directeur die hem op zijn bureau had ontboden. Hij kon of mocht niet in detail treden en Hofman had natuurlijk alle recht om in beroep te gaan tegen zijn ontslag, al moest hij daarbij natuurlijk ook aan zijn toekomstkansen denken niet?
    Hofman had bij het gesprek geen spier vertrokken. Het stemde de directeur ongemakkelijk. Hofman had niet beseft hoezeer het de man sterkte in de juistheid van de beslissing om hem de laan uit te sturen.
    De directeur voelde zich, als mens en omwille van de jarenlange goede samenwerking, verplicht om toch een tip van de sluier te lichten.
    'Sommigen vinden je, wel, te cynisch'. Hij liet een stilte vallen, Hofman bleef stoïcijns voor zich uit kijken. Hij hield zijn blik gericht op een poster die achter de rug van de directeur hing. Samen school maken, stond er in kleurrijke chocoladeletters.
    'Luister, Hofman', kuchte de directeur opnieuw. 'Ik zeg dit niet zonder aarzeling, maar zou het kunnen dat je zelf last hebt van – hoe heet het?, het is jouw vak, niet het mijne – een burn-out?'
    Weer zei Hofman niets.
    'Je zou niet de eerste hulpverlener zijn die zich zo hard inzet voor een ander dat hij de eigen nood vergeet. Ik zou je een time out gunnen, heus. Maar de klachten waren te hardnekkig en te consistent om ze in de wind te slaan. Ik zou je dit eigenlijk niet mogen vertellen, maar de onderwijsraad was vrij unaniem.'
    Hofman had zijn bureau leeggemaakt en was vertrokken zonder verdere plichtplegingen. Hij had niet de gewoonte om te vechten wanneer hij een strijd al bij voorbaat verloren achtte. Una salus victis, nullam sperare salutem. Vergilius. Verliezers hebben maar één zekerheid: ze moeten geen heil verwachten.
    Hij pleurde de lege borden en koffiemokken in de spoelbak.
    Natuurlijk had hij een vermoeden van wat hem overkomen was. Eén keer had hij gezondigd tegen de gedragscode van zijn vak. Hij had zijn afstand verloren, zijn persoonlijk belang oneigenlijk bevorderd.
    Ze heette Nina, doceerde Nederlands en Engels in één van de moeilijkste scholen van de stad. Ze was hem al vaker opgevallen wanneer hij op die school moest zijn, vaak, voor moegetergde collega's van haar. Ze was niet bijster mooi, zag er eerder schriel en tenger uit, maar ze had lange benen die bij elke stap de banaliteit van de rest van haar voorkomen ontkrachtten. Als ze zijn pad kruiste in de gangen, lachte ze hem lief toe. Ze rook lekker.
    Op een dag zat ze voor hem in zijn kantoor. Na twee zinnen stortte ze in. Een prachtig hoopje ellende. Ze vertelde hoe enkele moslimjongeren haar verrot hadden gescholden. Sale pute. Hoe ook een vader zijn beklag had gedaan over haar te korte rok. En dat ze nu niet wist of ze moest toegeven aan die dwingelandij en een broek moest gaan dragen of net niet.
    Hofman had onwillekeurig naar haar benen gekeken. Hij vond het geen goed idee om op deze school kortgerokt voor de klas te staan, maar dat zei hij niet. Daar moest de zorgcoördinator, die ook over diversiteit ging, zich maar het hoofd over breken.
    Hij had samen met haar een traject uitgestippeld. Het duurde niet lang of hij begreep dat ze ook thuis zorgen had. Door de gebeurtenissen op school voelde ze zich onzeker, gebruikt, afgewezen. En omdat ongeluk altijd en overal afstoot, was ze gaandeweg behalve zichzelf ook haar man aan het verliezen. De onrust in haar vrat aan hun beider lust.
    Langzaam, sessie na sessie, had Hofman haar weer doen voelen, ademen, leven. Zo omschreef ze het zelf en ze was er hem erg dankbaar voor. Hij had tijdens hun gesprekken niet veel hoeven te zeggen, maar hij wist dat hij op de juiste knopjes duwde. Cliënten tonen zich vaak verwonderd over zoveel efficiëntie, ze beseffen niet dat ze het zelf sturen met hun half gemompelde zinnetjes, hun zuchten of zelfs maar hun lichaamstaal. De therapeut hoeft de bal maar binnen te tikken.
    Hij zag hoe ze vermande voor zijn ogen. Ze zei ook te vinden dat niet langer zij, maar haar man het probleem was.
    'Eigenlijk is het een lul', zei ze op een gegeven moment. Ze waren toen beiden in de lach geschoten. En toen ze uitgelachen waren, hadden ze elkaar woordeloos de maat genomen.
    De lust heeft zijn rede die aan geen enkele wiskundige regel beantwoordt. Ze waren in het gesloten en verduisterde economaat van de school beland. Tussen stapels blanco schriften en dozen vol potloden en pennen had hij haar snoeihard genaaid.
    Daarna was ze niet meer komen opdagen. Zelf begon hij de school te mijden. Als hij er toch moest zijn en ze kruisten elkaar in de gang, ontweek ze zijn blik. Ze droeg nu een broek. Later ontdekte hij dat haar man in de onderwijsraad van het schoolnet zetelde en daar, vanuit zijn job – klaarblijkelijk was hij jurist - , informeel veel invloed had.
    De gedachte aan Nina wond hem op. Hij sloot zijn ogen, verjoeg haar beeld en toog aan het werk.

Filip Rogiers

(Uit een roman in wording, 'Verman je', deel I, hoofdstuk 3)


zaterdag 4 mei 2013

Mayday mayday


Wilfried keek vanuit zijn studeerkamer de tuin in. Het was eind april, de eerste warme dag van het jaar 1989. Hij zag hoe Berten de ligusterhaag snoeide. Geen gedachte bezocht hem, zijn cursus fiscaal recht lag al uren open op dezelfde pagina. Aard en omvang van het fiscaal onderzoek, wettelijke onderzoeksbevoegdheden ten aanzien van de belastingplichtige en derden, fiscaal bankgeheim. Wilfried dacht aan verre landen, hagelwitte stranden. Thomas had een vriendin. Hij was er vorige zomer mee naar Barbados gegaan.
Ze waren drie jaar van het college af. Het contact tussen de vrienden was verwaterd sinds Wilfried naar de Vlerick School voor Management ging -Wilfried wist niet dat er voorspraak van zijn vader aan te pas was gekomen- en Thomas naar de universiteit. Hij volgde geneeskunde, wilde zijn vader achterna. Ze liepen school in dezelfde stad: Thomas zat er op kot, Wilfried werd elke dag met de chauffeur gebracht. Zijn ouders hadden het niet eens kunnen worden over de wenselijkheid van dit laatste. Het kweekte geen ruggengraat, vond Arthur Liebaert. Maar zijn vrouw vond dat Wilfried het al zwaar genoeg had met zijn studie zelf.
Soms kruisten Wilfried en Thomas elkaar in de stad. De laatste keer had Thomas hem verteld dat hij deze zomer naar Alaska zou afreizen. Hij zou er helpen met het opruimen van de smurrie die was veroorzaakt door de lekgeslagen tanker Exxon Valdez. Het was al dagen in het nieuws. Wilfried werd wee van de steeds herhaalde beelden van vogels die zich vruchteloos uit de olie probeerden los te trekken. Hij had als kind het gezelschap van dieren boven mensen verkozen. Had Thomas aan zijn vriendin verteld dat hij een vriend had die ooit een konijntje had verstikt onder zijn strelen? Bij elke ontmoeting sloeg zijn eigen nutteloosheid hem almaar doffer in de maag.
Als Wilfried zag dat Thomas niet alleen was, trachtte hij ongezien weg te glippen. Hij meed vooral Thomas' vriendin. Ze hadden elkaar maar één keer ontmoet. Hij had daarbij geen woord weten uit te brengen, zij had hem geen blik waardig gekeurd. Ze leek op Deborah Harry, de zangeres van de popgroep Blondie. Hoogblond, goedkoop. Ze studeerde verpleegkunde. Vloog Thomas blind in haar armen, vroeg Wilfried zich af?
Het kotleven had Thomas veranderd. Verhard, toch tegenover zijn vriend. Bij hun zeldzame ontmoetingen had Thomas steeds ongeduldiger met zijn tong geklakt bij alles wat Wilfried zei. Wilfried stond niet meer in zijn zenit, de gedeelde bewondering voor Hans Andreus leek lang voorbij. In Thomas' leven was de film doorgegaan na de aftiteling.
Berten stopte met snoeien. Wilfried zag hoe de tuinman tegen de haag leek te praten en vervolgens ja knikte in de richting van het huis. Tien minuten later zag Wilfried Thomas door de Engelse tuin zelfverzekerd zijn kant op lopen. Er lag een handdoek over Thomas' schouder. In zijn hand hield hij een blauwe zwembroek. Wilfried herkende ze van de vorige zomer toen ze voor het laatst gezwommen hadden. Hij vond het vrijpostig hoe Thomas zich, op last van de tuinman, een toegang tot het domein had verschaft. Zou hij zijn vriend de deur durven te wijzen?
Maar de gedachte dat ze konden gaan zwemmen, bekoorde Wilfried wel. Het water had altijd al verbonden, het kon een nieuwe start zijn. Ik moet verliezen maar ik kan nog winnen. Wilfried graaide zijn zwembroek en een handdoek uit de kast en liep de trap af.
De vrienden drukten elkaar de hand zoals hun vaders zouden doen, en wisselden enkele beleefdheden uit over hun studies. Ze waren snel uitgepraat en beslisten om te gaan zwemmen. De vijver baadde in het zonlicht. Aan de rand ervan waren twee aan elkaar palende hokjes waar ze zich omkleedden. Wilfried luisterde naar het ritselen van Thomas' kleren. Hij schopte zijn mocassins uit en schoof ze onder een bankje.
'Hier'. Buiten reikte Thomas Wilfried een tube zonnecrème aan. 'Eerste zon brandt altijd het felst als je huid maanden bedekt is geweest.'
Gezeten in de tuinzetels smeerden ze zich in. Thomas dacht aan de smurrie op de stranden van Alaska. Hij was nog altijd van plan om na zijn examens af te reizen. Het maakte hem elke dag woester, zei hij. Duizenden zeevogels, otters, robben en zeeleeuwen waren geslachtofferd aan de tomeloze geldzucht van een rederij. Er gingen geruchten dat de rederij tonnen geld, waarmee de milieuschade had kunnen worden vergoed, daags na de ramp naar fiscale paradijzen had versast.
Wilfried keek naar Thomas' ingesmeerde armen. Ze blonken in de zon. Hij wilde zijn vriend niet ontgoochelen. Hij begon zijn pas moeizaam verworven kennis over het bankgeheim te reproduceren. Thomas klakte met zijn tong. Het is radeloosheid die de mens in de binnenste baan van de zelfverloochening brengt. Wilfried hoorde zichzelf ratelen om zijn vriend te imponeren. Hij vertelde over het fortuin van zijn vader dat naar de Kaaimaneilanden was gevloeid.
'Vertel mij iets nieuws, Wilfried', lachte Thomas. Bruusk veerde hij recht en plonsde zonder opwarming in de vijver. De druppels spatten op tot waar Wilfried zat. Wilfried stond op, hurkte naast de vijver en maakte zijn hals en polsen nat.
'Kom nu', riep Thomas.
Ze zwommen en zwegen. Het water bedaarde en Wilfried wist zich geborgen. Thomas kliefde door het water, het zonlicht parelde op zijn huid. Na een kwartier hees hij zich aan land. Hij moest zich reppen, zei hij. Zijn vriendin wachtte op hem in de stad. Het eerste examen was nog ver en het was een dag om terrasjes te doen.
Terug in het kleedhokje overviel Wilfried een droefgeestigheid van dagen, maanden, zelfs jaren. Hij had zich wel altijd door het water omsloten willen weten. Hij ging zitten op het bankje en luisterde naar de geluiden die Thomas maakte. Oe oe. Hij sloot zijn ogen en haalde zich het lenige lijf van zijn oude vriend voor de geest. Hij volgde in gedachten de lijn van de lende, gleed met zijn volle hand over de onderrug onder de rand van Thomas' zwembroek. Maar leg mij bloot, omdat ik zien wil wie ik toch nog ben. Ik moet toch een mens zijn die ik herken. Wilfried voelde zijn geslacht kloppen in zijn hand.
Even later stonden ze, aangekleed, weer buiten. Wilfried ademde gejaagd en had iets willen zeggen wat er toe deed. Maar Thomas had zich al omgekeerd.
'Wacht', riep Wilfried. Thomas keek over zijn schouder. 'Ik wil je een plaat lenen. Iets wat je vast goed zal vinden.'
Thomas liep mee naar het huis en bleef op de stoep staan terwijl Wilfried op zijn kamer Let it loose van Gloria Estefan van de draaitafel plukte. Terug beneden bekeek Thomas zwijgend de hoes van de plaat. Hij klakte opnieuw met zijn tong.
'Dan ga ik maar', zei hij.
Wilfried hief zijn hand op alsof hij een slag wilde afwenden. 'Thomas, wat ik je net vertelde over je weet wel wat. Dat hou je voor jezelf toch? Niemand heeft er zaken mee. Ik vertel het je omdat we altijd goede vrienden zijn geweest.'
Thomas zei niets, lachte alleen maar.
'Dag Wilfried. Succes met je examens.'
Het klonk als een definitief afscheid. Thomas stapte door de Engelse tuin van hem weg, hij had geen oog voor de bloeiende guldenroede.
Terug op zijn kamer schopte Wilfried hard tegen de B&O-hifi-installatie. Blondie zeurde in zijn kop. Superman's got a heart of glass. Hij rukte het snoer van de hifi-toren los en begon er wild mee uit te halen naar alles en niets, maar toch vooral naar de afwezige Thomas.
Enigszins bedaard voelde hij de zin van deze namiddag in het kleedhokje weer opzetten. Hij bond het elektriciteitssnoer rond de basis van zijn lid. Het sneed tegen zijn scrotum aan. De aderen op zijn geslacht puilden blauw uit. Hij kwam schokkend klaar.
Though it's killing me, that's true
There's just some things I can't control.'

Fragment uit Mayday mayday, verschenen op zaterdag 4 mei 2013 in DS Weekblad

zaterdag 10 maart 2012

Als mannen niet meer weten waarom

Een bom ontploft
Het is even na vier uur. Nu is het nog rustig in De Meiboom in Sint-Eloois-Winkel, maar een binnenkomende klant waarschuwt ons. ‘Dit is een moordend café. Het bier komt hier tegen de snelheid van het licht. Er wordt gevochten om een rondje te mogen geven.’
(...)
Een half uur later ontploft er inderdaad een bom. De gezapige namiddag slaat plots om in een broeierige avond. Volk stroomt binnen langs de achterdeur. Bouwvakkers, ouderen, jongeren, werklozen en kunstminnend volk. Want sinds Skippy, zelf schilder, achter de toog staat, is De Meiboom een mengelmoes van volkscafé en bruine kroeg geworden.
Er is geen muziek en toch is het er binnen de kortste keren oorverdovend lawaaierig.
‘Dat is het beste café ter wereld’, bralt Tony (33). Hij werpt zich op als de orkestmeester van deze fanfare van dorst, geen honger. ‘Ik kwam hier als kind al mee met mijn papa en ik ben blijven komen.’
Kroonkurkjes ploffen van de flessen aan het ritme van een mitraillette. Skippy houdt de rekening bij op bierkaartjes. Dit feestje gaat nog wel even door. Ik tracht niets te missen, elk gesprek te volgen. Het duurt even voor ik besef dat wat Marnix mij tussendoor tracht te vertellen de joligheid ver voorbij is.
‘Ge zoudt beter eens een enquête bij de AA doen’, zegt hij.
En we gaan nog niet naar huis.
‘... daar hoort ge wat.’
Bijlange niet.
‘Een half jaar...’
Tony plaagt zijn Franstalig liefje. Ze lispelt want ze heeft een piercing in haar tong.
‘... geen druppel meer aangeraakt.’
Mannen drinken. Ze weten niet altijd meer waarom.
‘Ik passeerde toevallig. Ik zag dat het weer open was.’
De excuses.
‘Ik drink alleen nog speciale biertjes, geen pils meer. En dit is nog maar mijn tweede. Het mag wel zeker? Ik kom van de keuring, mijn auto is vijftien jaar oud en er toch door geraakt.’
Dorst drijft ons naar het café. Maar wat drijft de dorst? Marnix weet het nog wel. ‘Ik had ambitie voor tien, ik was ambtenaar en daarna zelfstandig verkoper. Tot ik kort na mijn veertigste kanker kreeg. Dat heb ik overleefd, maar ik ben blijven sukkelen. Te veel beginnen drinken dan. Ik volg nu cursussen bij de VDAB. Boekhouding, computer. Maar gij weet en zij weten: ge zijt te oud.’
Hij heeft kinderen die nog studeren. Weet niet waar het geld vandaan moet blijven komen na tien jaar in het sukkelstraatje, de volkscafévariant van de boulevard of broken dreams.
Hij probeert de sfeer er opnieuw in te krijgen, Marnix, met een laatste grapje. Te wrang.
‘Ik ben voor de hogere pensioenleeftijd. Mijn vrouw werkt nog. Ik mag er niet aan denken dat ze over twee jaar elke dag thuis zou zijn.’
Tony plaagt nog altijd zijn liefje. ‘Elle était la fillette d’Elio avant qu’il est devenu gay.’ Ze lacht niet meer nu.

***

Zaterdag 3 maart. De avond valt en in de Isabellestraat in Sint-Gertrudis-Pede steekt Rudi (47) voor de laatste keer het licht aan van het uithangbord. Bij Annie. Ze zal de hele avond niet veel zeggen, Annie, des te harder haar tranen verbijten. Vanavond sluit, na 45 jaar, het naar verluidt 24ste en laatste café dat het gehucht ooit rijk was.
‘Ons tante Annie’, zegt Marleen, metekind van nonkel Frans. ‘Het is de crème de la crème van de streek. Bracht ge een hond, een kat of een kind, ze zorgde ervoor. Ze was er altijd voor onze Joachim. Ik was een alleenstaande mama, hij heeft hier tot zijn zestiende elke vakantie doorgebracht. Tante Annie wordt door alleman graag gezien.’
Dat is zo. Het café loopt vol en het mag een wonder heten dat Annie op het einde van de avond nog een ongekneusde rib overhoudt, met al dat geknuffel.
We slaan het gade vanuit de bijbouw, als stonden we in de coulissen van het oud, Vlaams televisiefeuilleton De Paradijsvogels. Maar dan wel de scabreuze versie. Rudi heeft behalve voor de hapjes, de vaten en de discobar ook nog voor een optreden van Jefke Plas gezorgd, met zijn 74 de oudste travestiet van het land of dan toch van het Pajottenland. Maar zeg het nog niet aan Frans! Hij krijgt straks een pruik opgezet en dan gaat Jefke zingen, vuile moppen tappen en schootdansen.
In stijl eindigen heet dat. In de bijbouw haalt het Griekse koor herinneringen op aan de strafste fratsen. Bruine zeep van de koer tot aan de voordeur. Een gevecht met rauwe eieren. Een kapot getrapte toog. Een gastronomisch weekendje, ‘allez een zuippartij gelijk een ander’. Een hoed vullen met stront, ‘en er dan een ferme shot tegen geven’. Een plateau door het raam keilen, juist op het moment dat er een politiecombi passeert.
‘En weet ge nog die keer met de bruine zeep?’
Plaatje blijft soms hangen, ook dat is typisch volkscafé.

Het gemiste lief
‘Vandaag loop ik al de hele dag met dat liedje van John Terra in mijn hoofd’, zegt Roland. ‘De dag dat het zonlicht niet meer scheen.’
Het schemerde al langer in Annie’s leven, vermoedt Roland. ‘De dood van haar zuster heeft haar een krak gegeven. Ik ken dat. Ik heb mijn zus ook verloren. Ik was 20, zij twee jaar jonger. Bij Annie vond ge troost. Ge kunt dat moeilijk vatten als ge het niet kent. Dit café, het is het lief dat ge niet hebt gehad.’
De kinderen van Annie en Frans, Verena en Peter, hebben het café juist daarom soms vervloekt. Ze moesten hun ouders elke dag delen met de klanten.

(Fragment uit ‘Het einde van het volkscafé: Als mannen niet meer weten waarom.’ Vandaag 10 maart 2012 verschenen in DS Weekblad. )

woensdag 4 januari 2012

Over verhalen (2)

'Ieder mens bedenkt vroeg of laat een verhaal dat hij voor zijn eigen leven aanziet.'

Max Frisch, Gantenbein

Gelezen

'De beurs was ook al dagen beroerd, men leed daar aan animaal gedrag. Het was nu eenmaal nog niet zo lang geleden dat de mens zijn holen had verlaten. Eigenlijk liep die nog steeds in beestevellen rond onder een hemel die hem beangstigde.'

Allard Schröder, Favonius, De Bezige Bij Amsterdam, 2005

Over verhalen

'Was hij zich ervan bewust dat hij speciaal voor haar de gebeurtenissen ordende? Misschien niet - misschien ontstond er tijdens het vertellen zelf een logisch patroon. Misschien was dat een typische eigenschap van mensen: orde kunnen scheppen in hun rommelige levens - een geheim wapen om te overleven, zoiets als antistoffen in het bloed.'

Rohintron Minstry, Een wankel evenwicht